OORLOG OP HET SCHIP

Surrealistische foto waarbij een man op een bijbel loopt richting het kruis.

De Vertrouwen is mijn God

Het is 10 mei 1940. Sjoerd Bakels springt aan boord van zijn 50 meter lange boot. Dat doet hij altijd op een jeugdige en opgewekte manier. Maar vandaag is de sprong anders. Bij zijn landing licht hij zijn bezorgdheid toe met de woorden: “De oorlog is uitgebroken.” Op dat moment slaat de 4–jarige Foekje haar vader intens gade. Wat oorlog precies is, weet ze niet. Maar instinctief voelt ze de onheilspellende lading van de woorden aan. Wat oorlog is, wordt nog dezelfde dag duidelijk. Ze kijkt naar boven en ziet een continu aanhoudende stroom van gevechtsvliegtuigen. Het gierende geluid van ronkende motoren is de hele dag overheersend aanwezig.

Jullie krijgen mijn schip niet!

Sjoerd Bakels op zijn schip De Vertrouwen.

Sjoerd Bakels op zijn schip de Vertrouwen

De 42–jarige schipper Sjoerd Bakels vervoert met zijn schip stukgoed zoals bijvoorbeeld metalen, kolen en kokosnoten. Hij woont en werkt op zijn schip en het is zijn lust en zijn leven. Het geld dat hij verdient, is bestemd voor zijn gezin en de aflossing van zijn schip. De oorlog woedt in alle hevigheid, maar de schipper vaart onvermoeibaar door.

Op een dag in 1940 levert Sjoerd Bakels een vracht af in Den Helder. Hij wil terugkeren naar Amsterdam om een nieuwe lading op te halen. Maar dan hoort hij van een vriend om niet naar de hoofdstad te varen. De Duitsers zijn daar in groten getale aanwezig.

De Duitsers vorderen allerlei soorten schepen. Deze worden omgebouwd tot militaire landingsvaartuigen en ingezet voor de invasie van Engeland. De Duitsers laten een bevel uitgaan dat alle schepen ingeleverd moeten worden.

Maar Sjoerd Bakels weigert dit bevel op te volgen. Hij verdient zijn inkomen met het schip en het is ook zijn woonhuis. Hij is niet van plan om als een vis op het droge te leven.

Sjoerd Bakels verandert van koers. Hij laat Amsterdam links liggen en vaart door naar een scheepswerf in West–Grafdijk. Hij probeert het schip uit het zicht van de vijand te onttrekken. Helaas is het daar niet veilig.

Sjoerd Bakels stuit op een ongelukkige speling van het lot. De eigenaar van de scheepswerf blijkt lid te zijn van de Nationaal–Socialistische Beweging (NSB). In de volksmond worden zij ook wel landverraders genoemd omdat het Nederlanders zijn die samenwerken met de vijand.

De scheepswerfeigenaar krijgt 200 gulden van de Duitsers voor elk schip dat hij aangeeft. Een gemiddeld maandsalaris bedraagt ongeveer 120 gulden. Dus het is een lucratieve manier om snel aan geld te komen.

Maar Sjoerd Bakels is slim. Hij laat een dure reparatie uitvoeren aan zijn schip. Hierdoor verdient de scheepswerfeigenaar meer aan het schip dan aan de ‘verklikkerscenten’ die hij krijgt van de Duitsers. Daardoor houdt de NSB‘er zijn mond.

Voor de zekerheid haalt Sjoerd Bakels stiekem het kwadrant uit het schip. Dit scheepsonderdeel is verbonden aan het stuurwiel en het roer. Het schip is zonder het kwadrant letterlijk stuurloos, het kan geen kant meer op varen.

Na een paar maanden hoort Sjoerd Bakels dat de Duitsers genoeg schepen hebben gevorderd. Hij heeft zijn schip nog, de dreiging is weg en hij gaat weer met frisse moed aan het werk.

De Vertrouwen is mijn God

We nemen een sprong terug in de tijd. Sjoerd Bakels wordt geboren op 28 september 1898. Hij groeit op in een gereformeerde schippersfamilie dat 9 kinderen telt. Als hij oud genoeg is, treedt hij in de voetsporen van zijn vader en wordt ook schipper.

Sjoerd Bakels krijgt de tjalk van zijn vader in bruikleen. Dit scheepstype wordt voortgestuwd door zeilen en heeft een laadvermogen van 120.000 kilo. Sjoerd Bakels verdient zijn inkomen met het transporteren van mest. Hij vervoert deze van Friesland en Groningen naar de bollenstreek in de provincie Zuid–Holland.

Inmiddels is Sjoerd Bakels getrouwd met Lize Besjes. Zij is geboren op 15 april 1905. Samen krijgen ze 9 kinderen waarvan de eerste in 1930 wordt geboren en de laatste in 1946.

Gezin Bakels.

Op een dag in 1933 ligt Sjoerd Bakels met de tjalk naast het scheepstype kempenaer. Dit schip is 50 meter lang en 7 meter breed. Het heeft een laadvermogen van 500.000 kilo, is gemotoriseerd en beschikt over woon– en slaapgedeeltes.

Hij raakt in gesprek met de eigenaresse van de kempenaer. Zij vertelt dat haar man net is overleden en dat ze het schip zo snel mogelijk wil verkopen. Ze heeft de kempenaer 6 jaar geleden nieuw laten bouwen voor maar liefst 30.000 gulden.

De jaren dertig is een tijd van economische crisis. Er zijn te veel schepen en er is te weinig vracht om te vervoeren. Veel schippers zitten werkloos thuis. Maar Sjoerd Bakels waagt de sprong in het diepe.

Hij koopt de kempenaer voor 16.000 gulden. Hij heeft 200 gulden aan handgeld en de financiële vooruitzichten zijn onzeker. Toch leent de Scheepshypotheekbank hem het benodigde bedrag. Dit krijgt Sjoerd Bakels op basis van zijn goede naam.

Hij staat namelijk bekend als een betrouwbare man die altijd zijn verplichtingen nakomt. Op basis van vertrouwen krijgt hij een lening van 16.000 gulden en daarvan koopt hij in 1933 de kempenaer.

Naar oud gebruik geeft de schipper zijn schip een naam. Populaire aanduidingen in die tijd zijn ‘De Hoop’ of ‘Het Vertrouwen’. Het is een verwijzing naar de gedachte ‘Ik hoop dat het goed gaat’ of ‘Erop vertrouwen dat het een behouden vaart wordt’.

Maar Bakels doet het net even iets anders en speelt met het lidwoord. Hij noemt zijn schip niet ‘Het Vertrouwen’, maar ‘De Vertrouwen’. Deze naam is een verwijzing naar de manier waarop hij het schip in bezit heeft gekregen. Het is namelijk gekocht op vertrouwen.

Daarnaast is ‘De Vertrouwen’ een verwijzing naar God. Hij is de vertrouwen van Sjoerd Bakels. Hij redeneert: “God is mijn vertrouwen en Hij beschermt mij en mijn gezin op dit schip.” En met deze, voor hem onwrikbare, wijsheid vaart hij met ‘De Vertrouwen’ de Tweede Wereldoorlog in.

Onderstaand fragment hoort bij de serie van geschreven portretten ‘De laatste overlevenden van de Tweede Wereldoorlog’. Foekje vertelt op boeiende wijze over de ervaringen die zij heeft meegemaakt tijdens de oorlog. Het interview heeft plaatsgevonden in juni 2013.

Bombardementen op de Rijn

Sjoerd Bakels vaart met grote regelmaat op de Rijn. Deze rivier begint in Nederland en stroomt ongeveer 800 kilometer door Duitsland. Hij vaart vaak de route Nederland – Duitsland.

Bij het uitbreken van de oorlog verandert de ooit zo vredige waterweg de Rijn in een strijdtoneel van de Duitsers en de geallieerden. De inzet van het gevecht zijn de schepen.

De schippers vervoeren met gevaar voor eigen leven vrachten van Nederland naar Duitsland en omgekeerd. Tijdens de oorlog worden de schippers en hun schepen steeds belangrijker. Een groot deel van het wegennet en het treinspoor is vernield. Daarom worden steeds meer vrachten via waterwegen vervoerd.

De geallieerden halen alles uit de kast om de toe– en afvoer naar en van Duitsland te frustreren. Ze willen de bevoorrading blokkeren. En daar is maar 1 methode voor: verniel het schip en brend het tot zinken.

Foekje herinnert zich als de dag van gister hoe de geallieerden te werk gingen. Zij is het vijfde kind van Sjoerd en Lize Bakels en vertelt: “De gevechtsvliegtuigen kwamen altijd heel laag aanvliegen, ter hoogte van de mast van een schip. Vanaf het water gemeten is dat ongeveer 10 tot 15 meter hoog.

Je hoorde ze al van ver aankomen want ze maakten een hard gierend geluid. Dan vloog ik met mijn vingers in mijn oren naar het achteronder. Dat is beneden het slaapgedeelte van het schip. Zo bang was ik voor al die bombardementen.

En dan het afweergeschut langs de kant van de rivier. Dat waren de Duitsers die de vliegtuigen probeerden neer te halen. Dat zag ik ook gebeuren. Ik zag vliegtuigen in een cirkelend gangetje naar beneden storten. Naarmate de oorlog vorderde, werd het steeds grimmiger.

Ik zag vliegtuigen neerstorten en schepen zinken. Het ene moment zag je een schip varen en het andere moment was het gezonken. Zo erg was het allemaal. En als we ergens moesten lossen en laden in Duitsland, stonden er altijd Duitse soldaten met geweren langs de kant.”

Dat Adolf Hitler in Duitsland aan de macht is, merkt Sjoerd Bakels heel snel. Bij elke lading die hij laadt en lost, moet hij zichzelf aanmelden. Dat is overal zo en op zich is er niets bijzonders aan. Maar nu eisen de Duitsers ineens dat hij bij elk contactmoment de Hitlergroet uitvoert.

Hij moet de rechterarm met vlakke hand schuin omhoog houden en daarbij zeggen: “Heil Hitler”. Dit betekent ‘leve Hitler’ of ‘heilwensen aan Hitler’. Maar hij weigert dit bevel uit te voeren en geeft de vijand van repliek met de woorden: “Alleen God komt de eer toe. Ik zal deze groet nooit uitspreken.”

De Duitsers respecteren hem en daardoor hoeft hij de Hitlergroet niet te doen.

Radio–uitzending VPRO

Dit item gaat over de binnenscheepvaart tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze aflevering is gewijd aan de belevenissen van schippers die hebben gevaren in oorlogstijd.

Uitgehongerde mensen

Foekje vertelt: “Ik heb heel veel angst gehad in de oorlog. Zo moesten we over het IJsselmeer in konvooi varen met andere schepen. In het water lagen veel mijnen en daar kon je tegenop varen.

Wij kregen van moeder een dubbel stel kleren aan. Als ons schip op een mijn zou varen, het zou zinken en wij de explosie zouden overleven, dan hadden we tenminste nog een stel extra kleren. Een ander schip kon ons dan opvangen. Dat waren angstige tijden. Ik merkte dat mijn ouders heel bezorgd waren. Je voelde altijd spanning op het schip. Altijd.”

De spanning uit zich ook in de omgang met de Duitsers. Onder dwang van de vijand heeft Sjoerd Bakels eens spullen van Joden vervoerd. “Als hij dat weigerde. werd hij gewoon neergeknald“, zegt Foekje. Ze benadrukt: “Wij hebben niet voor de Duitsers gevaren. We hebben louter en alleen die ene lading vervoerd.”

Foekje weet nog wat voor Joodse goederen er werden vervoerd. “In het ruim zag ik heel mooi speelgoed liggen. Ik dacht nog: wat moeten die kinderen rijk geweest zijn! Wij mochten niet met een pop of een ander speeltje bij het ruim staan want de Duitsers hielden toezicht.

Mijn moeder zei tegen ons: ‘Denk erom dat je niet bij het ruim gaat staan. De Duitsers kunnen denken dat jullie speelgoed uit de lading komt en dan moet je het ook inleveren.'”

Wanneer het was en in welke stad De Vertrouwen lag aangemeerd, weet Foekje niet meer. Maar op een dag speelt ze buiten op het dek. Als ze opkijkt, ziet ze langs de kade een praam. Dat is een plat schip, ook wel dekschuit genoemd. Daarop staan allemaal mensen. Ze zijn vel over been en het zijn net lopende geraamtes. Hun holle ogen staren doelloos over het water.

Zij moeten op last van de Duitsers de vracht uit De Vertrouwen sjouwen. Dan haalt een broer van Foekje rauwe aardappels uit de stuurhut. De uitgehongerde mensen zien het eten en vliegen erop af. Maar ze worden door de Duitsers bruut weggejaagd.

Sjoerd Bakels ziet het tafereel met lede ogen aan. Hij twijfelt geen moment en kookt een grote emmer met aardappels. Uit het zicht van iedereen laat hij het eten afkoelen. Dan wacht hij op het moment dat de Duitsers weggaan om te eten. Hij wenkt de uitgehongerde mensen en biedt ze de afgekoelde aardappels aan. Foekje ziet hoe ze er letterlijk bovenop springen. Zo’n enorme honger hebben de mensen.

Lize Bakels kan het niet meer aanzien. Ze loopt naar binnen en de tranen rollen over haar wangen van verdriet. Hoe kunnen mensen elkaar dit aandoen?

Foekje vertelt: “Ik heb later nog met mijn ouders gesproken over de oorlog. Mijn vader vertelde dat die uitgehongerde mensen Joden uit Polen waren.

Weet je, de schippers hadden onderling veel contact met elkaar. Als kind hoorde ik ze praten over gasovens. Ik wist toen niet wat het woord betekende. Maar ik was er wel een beetje bang van. Dat kwam door de manier waarop de schippers er met elkaar over spraken. Ik voelde dat instinctief aan.

Pas later besefte ik dat ze spraken over de Joden die vergast werden in de concentratiekampen. Ze vertelden het elkaar door dat de Joden in de gasovens werden gegooid.”

De Here bewaart ons

Naar het ziekenhuis in Delft

Razzia

Liquidatie in Delft

De hongerwinter 1944‐1945

Tijdens de winter van 1944‐1945 werd er in Nederland op grote schaal honger geleden. Ook was er een groot tekort aan brandstof om de huizen te verwarmen.

Naar schatting zijn er 20.000 Nederlanders in deze periode omgekomen door de honger en de kou.
Vooral West–Nederland was getroffen. Omdat de Duitse bezetter het treinverkeer met voedseltransporten had stilgelegd.

Dit was een represaillemaatregel voor de ‘algemene spoorwegstaking’ van 17 september 1944. Dit werd uitgevoerd om de geallieerden te ondersteunen bij ‘Operatie Market Garden’.
Bron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie

Bevrijding

Foekje Begemann-Bakels

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

3 × 5 =